Go to Top

Faillissementsrecht

Voor privé- of rechtspersonen die niet meer aan hun (financiële) verplichtingen kunnen voldoen, kent de wet drie verschillende procedures; het faillissement, de surseance van betaling en de schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen (‘WSNP’).

Het verzoek tot faillietverklaring

Het verzoek tot faillietverklaring kan worden ingediend door een van de volgende partijen:

Wordt het faillissement verzocht door een schuldeiser, dan zal de schuldeiser moeten aantonen dat de schuldenaar niet meer aan zijn betalingsverplichting kan voldoen. De wet noemt dit ‘de toestand dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen’. Hiervan is sprake indien de schuldenaar meerdere schuldeisers onbetaald laat (de zogenaamde ‘pluraliteit van schuldeisers’), terwijl ten minste een vordering hiervan opeisbaar is. De exacte omvang van de vordering hoeft echter (nog) niet vast te staan.

De steunvordering

Over de pluraliteit van schuldeisers en het bestaan van een steunvordering is in het verleden veel te doen geweest. In de rechtspraak is bijvoorbeeld bepaald dat een achtergestelde lening niet als steunvordering kan worden aangemerkt. Ook is bepaald dat de schuldeiser een redelijk belang moet hebben bij het aanvragen van een faillissement. Anderzijds is besloten dat bijvoorbeeld een onbetaalde belastingaanslag wel als steunvordering kan dienen, zelfs wanneer daartegen een bezwaarschrift is ingediend.

Het verzoekschrift

Het verzoekschrift vermeldt in elk geval de naam en woonplaats van de schuldeiser en een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust. Als hoofdregel wordt het verzoekschrift ingediend bij de rechtbank van de woonplaats van de schuldenaar.

In de regel wordt er binnen enkele weken een zitting bepaald voor de mondelinge behandeling van het verzoek tot faillietverklaring. De schuldenaar (of de bestuurder van de vennootschap) wordt in dat geval per brief opgeroepen door de griffie van de rechtbank om bij de zitting aanwezig te zijn.

De faillietverklaring wordt vervolgens door de rechtbank uitgesproken indien summierlijk is gebleken van feiten of omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Dit betekent dat de vordering van de schuldeiser na een kort en eenvoudig onderzoek moet blijken. De schuldenaar kan niet volstaan met het enkel ontkennen van de schuld.

Hoger beroep of verzet instellen

Is de schuldenaar het niet eens met deze beslissing van de rechtbank, dan kan hiertegen hoger beroep of verzet faillissement worden ingesteld. De termijnen hiervoor zijn echter heel kort. In het geval van hoger beroep tegen een faillietverklaring bedraagt de beroepstermijn slechts acht dagen. De termijn voor het instellen van verzet is wettelijk bepaald op 14 dagen.

Gevolgen faillissement

Als gevolg van het faillissement verliest de schuldenaar de beschikking en het beheer over zijn vermogen. In plaats daarvan is de curator vanaf dat moment belast met het beheer van de failliete boedel, welke bestaat uit alle zaken en vermogensrechten van de schuldenaar. De schuldenaar kan hierdoor bijvoorbeeld geen betalingen meer verrichten of zaken verkopen.

Buiten het vermogen van de (failliete) schuldenaar vallen goederen van derden. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan zaken die onder eigendomsvoorbehoud zijn geleverd aan de gefailleerde of zaken waarvan de verkoper een recht van reclame heeft ingeroepen.

Daarnaast spelen zekerheidsrechten (zoals pandrecht of hypotheekrecht) een bijzondere rol in een faillissement. Pand- en hypotheekhouders kunnen namelijk hun recht uitoefenen alsof er geen faillissement was. De hypotheekhouder – vaak zal dit een bank zijn – hoeft zijn vordering dus niet ‘ter verificatie’ in te dienen bij de curator en draagt dus ook niet bij aan de algemene faillissementskosten.

De curator

De curator heeft als taak om het (resterende) vermogen van de schuldenaar ‘te gelde te maken’ en deze opbrengst – volgens de wettelijke rangorde – te verdelen onder de schuldeisers. De curator staat onder toezicht van de rechter-commissaris. Voor sommige handelingen (zoals verkoop van activa) heeft de curator toestemming nodig van de rechter-commissaris.

Daarnaast is het de taak van de curator om onderzoek te doen naar mogelijk paulianeus handelen of onbehoorlijk bestuur in de periode voorafgaand aan het faillissement. De achtergrond van de pauliana is dat alle schuldeisers in beginsel een gelijk recht hebben op een deel van de boedel. In de praktijk gebeurt het nog al eens dat bepaalde schuldeisers (zoals de bank, zustervennootschappen of familie en vrienden) worden bevoordeeld boven andere schuldeisers. Door het inroepen van de pauliana kan de curator een degerlijke ‘benadelende’ handeling ongedaan maken (vernietigen) om zodoende de benadelende handeling terug te draaien.

De schuldeisers

De schuldeisers kunnen zich als gevolg van het faillissement niet meer individueel verhalen op het vermogen van de gefailleerde. Dit blijkt onder meer uit het feit dat beslagen – als gevolg van een faillissement – komen te vervallen en opgaan in het algemene faillissementsbeslag.

Schuldeisers zullen hun vordering (ter verificatie) moeten indienen bij de curator. De curator plaatst deze vordering vervolgens op een lijst van voorlopig erkende crediteuren. In slechts een (bijzonder) klein aantal van de faillissementen is er voldoende actief om een uitkering te doen aan de concurrente crediteuren.

Advocaat faillissementsrecht

Bij Flinck Advocaten kunt u terecht voor al uw vragen over faillissementsrecht. Wilt u meer informatie over uw positie als schuldeiser of bent u als aandeelhouder/bestuurder betrokken bij een faillissement? Aarzelt u dan niet om contact op te nemen met faillissementsrecht advocaat mr. Vincent Melens van Flinck Advocaten op telefoonnummer 020 – 26 10 234 of per e-mail: melens@flinckadvocaten.nl.