Go to Top

Verweer tegen een faillissementsverzoek

Verweer tegen een faillissementsverzoek

Voor een schuldeiser is het relatief gemakkelijk om het faillissement van zijn schuldenaar te bewerkstelligen. Hij moet daarvoor (enkel) aantonen dat de schuldenaar niet meer aan zijn betalingsverplichting kan voldoen. De zogenaamde ‘toestand dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen’. Een schuldenaar kan echter inhoudelijk verweer tegen een faillissementsverzoek voeren. Daarmee kan hij zijn faillissement mogelijk voorkomen. Hij moet dan aantonen dat hij niet in de voornoemde toestand verkeert. Dit kan hij doen door bijvoorbeeld te bewijzen dat de aanvragende schuldeiser geen vordering (meer) heeft, of dat hij geen andere schuldeisers onbetaald laat. Maar hoe voer je goed verweer tegen een faillissementsverzoek? En, wat moet je als schuldenaar voor een succesvol verweer bewijzen? Advocaat Vincent Melens van Flinck advocaten over het voeren van verweer tegen een faillissementsverzoek.

Verzoek tot faillietverklaring

Het verzoek tot faillietverklaring kan worden ingediend door: de schuldenaar (‘eigen aangifte’), een (of meer) schuldeiser(s), of door het Openbaar Ministerie.

Als om het faillissement wordt verzocht door een schuldeiser, dan moet de schuldeiser aantonen dat de schuldenaar niet langer aan zijn betalingsverplichting kan voldoen. De wet noemt dit ‘de toestand dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen’ (artikel 6 Fw). Hiervan is sprake als de schuldenaar meerdere schuldeisers onbetaald laat. Dit wordt de ‘pluraliteit van schuldeisers’ genoemd. Ook moet tenminste één vordering op dat moment daadwerkelijk opeisbaar zijn.

De schuldeiser moet dus, naast zijn eigen vordering, over een zogenaamde steunvordering beschikken. Dat wil zeggen, een vordering van een andere schuldeiser die de schuldenaar ook onbetaald laat. Tijdens de faillissementszitting moet deze steunvordering summierlijk worden aangetoond. Dit kan bijvoorbeeld door het overleggen van een factuur, of een verklaring van de andere schuldeiser.

Het verweer tegen een faillissementsverzoek

Als een schuldenaar met succes verweer tegen een faillissementsverzoek wil voeren, moet hij kunnen aantonen dat hij niet verkeert in de toestand te hebben opgehouden te betalen. Bijvoorbeeld door te bewijzen dat de aanvragende schuldeiser geen vordering (meer) op hem heeft, of dat hij naast de aanvragende schuldeiser geen andere schuldeisers onbetaald laat. De schuldenaar kan bijvoorbeeld bewijzen dat hij de vordering van de aanvrager of de steunvordering inmiddels heeft betaald. Een andere mogelijkheid is het betwisten van het bestaan van de vordering van de aanvrager, of de steunvordering. Ook een beroep op verrekening van de (steun)vordering met een tegenvordering, biedt een mogelijkheid om met succes verweer tegen een faillissementsverzoek te voeren.

Betwisting van het bestaan van de (steun)vordering

Uit een recente uitspraak van de Rechtbank Rotterdam volgt dat een faillissementsverzoek wordt afgewezen, als het bestaan van de steunvordering(en) onvoldoende komt vast te staan. De rechtbank oordeelde dat het bestaan van de twee aangevoerde steunvorderingen in deze zaak onvoldoende aannemelijk was geworden. Het bestaan van deze vorderingen werd door de schuldenaar tijdens de zitting gemotiveerd betwist. De eerste steunvordering was van een adviseur die, volgens de schuldenaar, ernstige fouten had gemaakt. Volgens de schuldenaar had hij door de fouten aanzienlijke schade geleden. Hij betwiste daarom dat de adviseur (nog) een vordering op hem had. Dit werd door de verzoekende schuldeiser ook niet weerlegd. De rechtbank oordeelde daarom dat het bestaan van deze steunvordering niet voldoende aannemelijk was geworden.

Ook het bestaan van de tweede steunvordering kwam onvoldoende vast te staan. Ook het bestaan van deze steunvordering werd door de schuldenaar gemotiveerd betwist. En, ook deze betwisting werd door de verzoekende schuldeiser niet weerlegd. De rechtbank kwam daarom tot het oordeel dat niet summierlijk was gebleken dat de schuldenaar in de toestand verkeerde dat hij had opgehouden te betalen. Conclusie: het faillissementsverzoek werd afgewezen.

Beroep op verrekening met tegenvordering

Uit een eerder uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch kan worden opgemaakt dat verrekening van de (steun)vordering met een tegenvordering, aan faillietverklaring in de weg staat. Het Hof oordeelde dat door verrekening een (steun)vordering immers teniet gaat. Maar, het enkel opwerpen van een verrekenbare tegenvordering is daarvoor onvoldoende.

In deze zaak had de Rechtbank Oost-Brabant op verzoek van de Belastingdienst de schuldenaar eerder failliet verklaard. Tegen deze uitspraak kwam de schuldenaar in hoger beroep. Ter zitting verklaarde de schuldenaar dat zij de vordering van de Belastingdienst niet betwistte, maar zich (uitsluitend) beriep op verrekening van die vordering met haar eigen tegenvordering. Zij stelde, uit hoofde van BTW-teruggave, een tegenvordering te hebben op de Belastingdienst. Voor het bestaan van deze tegenvordering voerde zij echter geen enkel bewijs aan, terwijl het bestaan ervan door de Belastingdienst wel met zo veel woorden werd betwist.

Het bestaan van de tegenvordering is daarom onvoldoende aannemelijk geworden, zo oordeelde het Hof. Het enkele stellen van een verrekenbare tegenvordering is onvoldoende. Het bestaan ervan dient voldoende te worden onderbouwd. Daarbij merkt het Hof nog op dat het enkele bestaan van een verrekenbare tegenvordering onvoldoende is om de (steun)vordering teniet te laten gaan. Daarvoor is immers een daadwerkelijk uitgevoerde verrekening nodig.

Het is daarom, kort gezegd, zaak om een tegenvordering daadwerkelijk met een (steun)vordering te verrekken om succesvol verweer tegen een faillissement te (kunnen) voeren.

Verweer tegen een faillissementsverzoek

Hoewel het voor een schuldeiser op het eerste oog relatief gemakkelijk lijkt om het faillissement van zijn schuldenaar te bewerkstelligen, blijkt het voeren van gemotiveerd verweer tegen een faillissementsverzoek vaak een goed advies. Bijvoorbeeld door het bestaan van de (steun)vordering te betwisten, of door de (steun)vordering met een bestaande tegenvordering te verrekenen. De schuldenaar met een voldoende gemotiveerd verweer heeft dan een goede kans om zijn faillissement alsnog te voorkomen.

Advocaat faillissementsrecht

Bij Flinck Advocaten bent u aan het juiste adres voor uw vragen over het faillissementsrecht. Wordt u geconfronteerd met een faillissementsverzoek? En wilt u meer informatie over het voeren van verweer tegen een faillissementsverzoek? Of heeft u vragen over het verrekenen van uw tegenvordering? Neemt u dan gerust contact op met gespecialiseerd advocaat faillissementsrecht mr. Vincent Melens van Flinck Advocaten op telefoonnummer 020 – 26 10 234 of per e-mail: melens@flinckadvocaten.nl.

About Vincent Melens

Vincent Melens heeft jarenlange ervaring op het gebied van ondernemingsrecht en faillissementsrecht. Bij Flinck Advocaten adviseert en procedeert hij met name op het gebied van ondernemingsrecht, beslagrecht, faillissementsrecht en contractenrecht.