Schade door een onrechtmatige daad

Geplaatst door: Sharieffa Jbiri

Als u schade heeft geleden door toedoen van een ander, dan zal u deze schade willen verhalen. Maar wanneer is dat mogelijk? Wanneer is er sprake van een onrechtmatige daad? Kunt u elke vorm van schade door een onrechtmatige daad verhalen? En zijn er nog aanvullende voorwaarden? In deze blog legt advocaat mr. Jbiri van Flinck Advocaten uit wanneer de schade door een onrechtmatige daad met succes kan worden verhaald.

Contractuele- en buitencontractuele aansprakelijkheid

Het aansprakelijkheidsrecht kan worden onderverdeeld in contractuele- en in buitencontractuele aansprakelijkheid. Er is sprake van contractuele aansprakelijkheid als er een contractuele verplichting wordt geschonden en daardoor schade is ontstaan. In de praktijk zal het dan vaak gaan om een verplichting uit een contract (bijv. een koopcontract). In dat geval is sprake van wanprestatie en is de ander aansprakelijk voor de schade wegens een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst (ex artikel 6:74 BW). Daarnaast kan iemand aansprakelijk zijn op grond van de wet, bijvoorbeeld op grond onrechtmatige daad (ex artikel 6:162 BW). Aansprakelijkheid ontstaat in dat geval omdat er sprake is van onrechtmatig handelen en niet doordat iemand een contractuele verplichting heeft geschonden.

Samenloop onrechtmatige daad en wanprestatie

Een combinatie van beide vormen is ook mogelijk. In de praktijk komt het regelmatig voor dat een bepaalde gedraging kan worden gekwalificeerd als een tekortkoming in de nakoming van een contractuele verplichting (wanprestatie) en gelijktijdig als onrechtmatige gedraging. Indien bijvoorbeeld een aannemer zijn werk niet goed verricht, dan is in beginsel sprake van een tekortkoming in de nakoming van de aanneemovereenkomst. De rechtbank Rotterdam oordeelde in een specifiek geval dat de aannemer tevens op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk was. Zo oordeelde de rechtbank Rotterdam dat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht dat hij het werk zorgvuldig uitvoert en dat had de aannemer in dit concrete geval nagelaten. Kortom, de aannemer kon in dit geval worden aangesproken op grond van onrechtmatige daad, terwijl tevens sprake was van een contractuele verhouding.

Onrechtmatige daad

Maar wanneer is sprake van een onrechtmatige daad? Van onrechtmatig handelen is sprake als er aan een vijftal voorwaarden is voldaan. Dat zijn:

  1. onrechtmatig handelen;
  2. toerekenbaarheid;
  3. schade;
  4. causaliteit;
  5. relativiteit.

Onrechtmatig handelen

Het eerste vereiste van onrechtmatige daad is dat er sprake moet zijn van ‘onrechtmatig handelen’. Op grond van artikel 6:162 BW worden een drietal handelingen als onrechtmatig aangemerkt:

  • inbreuk op recht (bijvoorbeeld: op uw recht op privacy of op uw eigendomsrecht);
  • een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht (bijvoorbeeld: in strijd handelen met vergunningsvoorwaarden);
  • handelen in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid (bijvoorbeeld: beroepsfouten, gevaarzetting, het veroorzaken van hinder, profiteren van wanprestatie).

De derde categorie van onrechtmatig handelen – de strijd met de maatschappelijke betamelijkheid – is niet in de wet gedefinieerd en is in feite een ‘restcategorie’. De vraag of een gedraging in strijd is met de maatschappelijke betamelijkheid is namelijk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Wel is in de rechtspraak invulling gegeven aan deze maatschappelijke betamelijkheidsnorm. Zo is sprake van onbetamelijk handelen op het moment dat sprake is van ‘gevaarzetting’. Van een dergelijke gevaarzetting is sprake op het moment dat iemand schade lijdt doordat een andere partij een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen en/of heeft laten voortbestaan, terwijl hij maatregelen had moeten treffen om dat gevaar te voorkomen. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of gevaarzetting onrechtmatig is. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat bij de beoordeling of sprake is van onrechtmatige gevaarzetting moet worden gekeken naar een viertal criteria (de zgn. ‘Kelderluik-criteria’):

  1. de mate van waarschijnlijkheid dat anderen niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht nemen;
  2. de kans dat daaruit ongevallen ontstaan;
  3. de ernst van de mogelijke gevolgen;
  4. de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

Enkele voorbeelden

De Hoge Raad oordeelde bijvoorbeeld dat sprake was van gevaarzetting in het geval dat een winkelketen had nagelaten om de gladheid in het voetgangersgebied in de directe nabijheid van haar winkel te bestrijden. De winkelketen was daardoor aansprakelijk voor de letselschade van één van haar bezoekers nadat zij voor de ingang van de winkel was uitgegleden over een glad stoepgedeelte. Daarbij werd in aanmerking genomen dat de kosten voor het nemen van maatregelen om de gladheid te bestrijden redelijkerwijs kon worden gedragen uit de omzet verbonden aan het massale bezoek van de winkelketen.

Voorts is in de rechtspraak aangenomen dat sprake is van onbetamelijk handelen op het moment dat een beroepsbeoefenaar (bijvoorbeeld een advocaat of arts) een beroepsfout heeft gemaakt doordat hij niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Zo oordeelde de Hoge Raad in 2015 dat een advocaat niet had gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat verwacht mocht worden doordat hij had nagelaten om zijn cliënt te waarschuwen voor het risico dat hij persoonlijk aansprakelijk kon worden gesteld wegens het verrichten van selectieve betalingen aan crediteuren in het zicht van faillissement. Ook oordeelde de Hoge Raad dat een arts aansprakelijk was op grond van onrechtmatige daad wegens het niet naleven van een veiligheidsprotocol, zonder dat hiervoor een rechtvaardigingsgrond bestond. De Hoge Raad nam in deze zaak aan dat de arts aansprakelijk was voor de trombose die bij patiënt optrad als gevolg van een operatieve ingreep. De arts in kwestie had nagelaten om een patiënt anti-stollingsmiddel toe te dienen, terwijl dit wel was voorgeschreven in het ziekenhuisprotocol. Dit was onrechtmatig. Kortom, om te bepalen of een beroepsbeoefenaar onrechtmatig heeft gehandeld, zal dus moeten bekeken of de beroepsbeoefenaar in kwestie de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk handelend en redelijk vakgenoot mag worden verwacht.

Indien sprake is van onrechtmatig handelen, dan geldt in sommige gevallen dat de schadeveroorzaker een beroep kan doen op een rechtvaardigheidsgrond. Voorbeelden van rechtvaardigingsgronden zijn bijvoorbeeld zaakwaarneming of overmacht. De rechtvaardigingsgrond neemt in dat geval de onrechtmatigheid weg. Of voor het onrechtmatig handelen een rechtvaardigingsgrond bestaat, zal afhangen van de omstandigheden van het geval.

Toerekenbaarheid

Het tweede vereiste van onrechtmatige daad is dat het onrechtmatig handelen moet kunnen worden toegerekend. Toerekening vindt plaats op grond van:

  • schuld (de ander heeft verwijtbaar gehandeld: de ander had anders kunnen en moeten handelen);
  • de wet (er is wettelijke grondslag op grond waarvan het handelen wordt toegerekend aan de ander);
  • krachtens de verkeersopvattingen (wanneer het handelen voor het risico van de ander komt).

Schade en causaliteit

Het derde vereiste van onrechtmatige daad is dat door de onrechtmatige gedraging schade moet zijn ontstaan. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen materiële- en immateriële schade. Beide schadeposten komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking, mits er een voldoende causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige gedraging en de schade (het zgn. ‘condicio sine qua non-verband’). Ofwel: iemand hoeft alleen die schade te vergoeden die door de gebeurtenis is veroorzaakt.

Het vierde vereiste van onrechtmatige daad is dus dat er sprake moet zijn van causaliteit. Om vast te stellen of sprake is van causaliteit zal een vergelijking moeten worden gemaakt tussen de werkelijke situatie enerzijds en de hypothetische situatie waarin de onrechtmatige gedraging achterwege zou zijn gebleven anderzijds. Indien uit deze vergelijkingssituatie volgt dat de schade eveneens zou zijn ontstaan zonder onrechtmatige gedraging, dan ontbreekt het causaal verband en kan geen aanspraak worden gemaakt op schadevergoeding (ex artikel 6:162 BW). Indien sprake is van een causaal verband tussen de geleden schade en de onrechtmatige gedraging, dan wil dit overigens niet zeggen dat de geleden schade daadwerkelijk voor vergoeding in aanmerking komt. De schade moet namelijk ook in redelijkheid aan de ander kunnen worden toegerekend. Wanneer kan de schade in redelijkheid worden toegerekend? In beginsel zal de schade in redelijkheid aan de ander kunnen worden toegerekend als de schade het redelijkerwijs te verwachten gevolg is van het onrechtmatig handelen (zie. o.a. Hoge Raad, 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2310).

Relativiteitsvereiste

Het vijfde en het laatste vereiste van onrechtmatige daad is dat er sprake moet zijn van relativiteit. Het relativiteitsvereiste is geregeld in artikel 6:163 BW, waarin is bepaald dat er geen verplichting tot schadevergoeding bestaat als de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de geleden schade. Ter illustratie: indien een bedrijf in strijd handelt met de drank- en horecawet, waardoor het belang van eerlijke concurrentie in het geding is, dan staat het relativiteitsvereiste eraan in de weg dat concurrerende slijterijen zich hierbij kunnen beroepen op de Drank- en Horecawet. De Drank- en Horecawet strekt namelijk ter bescherming van het belang van de volksgezondheid en niet ter bescherming van de concurrentiebelangen van de concurrerende slijterijen. Of aan het relativiteitsvereiste is voldaan hangt aldus af van het doel en de strekking van de norm en zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld.

Rechtsvorderingen

Indien aan alle vijf de bovenstaande voorwaarden is voldaan, dan is sprake van onrechtmatige daad in die zin van artikel 6:162 BW. In dat geval kan een vordering tot schadevergoeding worden ingesteld of bijvoorbeeld een vordering tot rectificatie worden ingediend in geval van een onrechtmatige publicatie. Wanneer schade dreigt te ontstaan door een onrechtmatige daad, dan kan in een kort geding een verbod van handelen worden gevorderd (ex artikel 3:296 BW). Daarnaast kan in een (kort) geding worden gevorderd dat iemand het onrechtmatig handelen staakt. Heeft u vragen over dit onderwerp? Neemt u dan gerust contact op met mr. S. Jbiri van Flinck Advocaten op het telefoonnummer 020-2610234 of per mail: jbiri@flinckadvocaten.nl.

Sharieffa Jbiri

Advocaat

Bij Flinck Advocaten houdt Sharieffa zich met name bezig met het procederen en adviseren op het gebied van (commercieel) contractenrecht, incasso en vastgoedrecht.

Meest recente artikelen